|
VAN MYTHE TOT HISTORIE
G.A. van
den Bergh van Eysinga
GWS VII - 1950 - S. 23-31
Een belangstellend lezer mijner geschriften
vroeg mij
indertijd per brief: Kunt U in de geschiedenis der
godsdiensten nog andere gevallen aanwijzen, waarin de mythe
is gehistoriseerd?
De vraag en mijn antwoord interesseeren misschien een
ruimeren kring en daarom stel ik hier deze kwestie aan de
orde. Vooraf dit: ook indien er geen analogie van dit
verschijnsel te vinden ware en de door de wordende
Katholieke Kerk tegenover de Gnosis noodig geachte
historiseering van de mythe een unicum zou zijn,
mocht men deze op grond daarvan geenszins onmogelijk achten.
L’homme fait dieu is inderdaad een bekend
verschijnsel, maar in Joodsche kringen allerminst
waarschijnlijk; le dieu fait komme heeft een dubbele
beteekenis (vgl. den titel van Dr P. L.
Couchoud’s
bekende boek), nl. de menschwording Gods, de incarnatie van
den Godszoon, maar ook de in de rationalistische theologie
tot op den dag van heden gewaagde poging om den God of
Godszoon tot louter mensch te maken. Uit den aard der zaak
heeft de oude Kerk daaraan niet meegedaan, al heeft zij wel
door de bewerking van het tijdelijk leven van haar Heer als
mensch op aarde onwillekeurig de Aufklärung op de
ongelukkige gedachte gebracht, om den god te verwerpen en
achter den god een braven man, rabbi, leeraar of profeet te
zoeken.
Ten jare 1921 heb ik in een nu reeds lang verdwenen
tijdschrift1 een opstel geschreven, waarin ik
o.a. een parallel trok tusschen de moderne
Leben-Jesu-Forschung en het onderzoek naar het leven van
Boedha. Ik wil daarvan een en ander hier herhalen en het
toen geschrevene met eenige opmerkingen aanvullen.
1
„Licht en Waarheid. Panfilosofisch Tijdschrift“, 31e
Jaargang, 16 Sept.—14 Oct. 1921, no. 836—838:
„Buddha—Wijze— Christus“. 2 Tübingen 1925, I, S. 15.
23
De Fransche geleerde
Senart, onze langenoot
Kern, diens
leerlingen Speyer
en de Gentsche hoogleeraar
De LA
Vallee Poussin
hebben de overtuiging gehad, dat omtrent de persoon van den
stichter van het Boeddhisme beitrouwbare gegevens ten
eenenmale ontbreken. Ik weet heel goed, dat dit niet
overeenkomt met de hedendaagsche opvattingen; het heet een
geheel verouderd standpunt.
Edvard Lehmann
van Lund schreef dan ook in de vierde uitgave van het
Lehrbuch der Religionsgeschichte
van Ghantepie de la
Saussaye over H.
Kern, dat deze
„als Mythologe
phantastisch, als
Indologe
fast
unübertroffen ist“.
Intusschen hebben Kern
en zijn geestverwanten dan toch maar beweerd en met
een. zeer belangrijk apparaat van bewijzen trachten te
verdedigen, dat het groote Wezen dat Boeddha wordt, de
hoogste waarheid leert en den weg ter verlossing wijst, een
verschijningsvorm is van den Zonnegod; in een eindeloos
aantal vroegere existenties heeft deze Boeddha gaandeweg de
eigenschappen verworven om uit den kringloop des levens zelf
te ontkomen en ook anderen daaruit te verlossen. Hier zal de
mythe tot een levensbeschrijving zijn omgewerkt.
Gelijk gezegd gelooven tegenwoordig de godsdiensthistorici
weer, dat deze Boeddhaverhalen toch wel een kern van
historische waarde behelzen. Na verwijdering van alle
mythische en onwaarschijnlijke bestanddeelen meenen zij te
kunnen doordringen tot het vrijwel gelijkende beeld van een
geschiedkundigen persoon.
Ernst Windisch1
de bekende
Leipziger
Sanskritist,
beriep zich voor de geschiedkundige realiteit van Boeddha
op het volgende. Koning Ashoka richtte ± 250 jaar v. C.
heiligdommen op voor relieken van Boeddha en werd daarbij
ter zijde gestaan door Upagupta, een Sthavira (zoo iets als
een „kerkvader“) ; deze laatste moest de heilige plaatsen
aanwijzen, die in het leven van den Boeddha een rol hadden
gespeeld, opdat de koning door een gedenkteeken de
herinnering daaraan kon vereeuwigen. Nu heette het, dat
Boeddha in
1
In de
„Verhandlungen der kgl. sächsischen Gesellschaft für
Wissenschaften“,
1908.
24
het dorp Lumbineyya1 of Lumbini was
geboren. Was dit een geografisch nader te bepalen plaats, of
behoorde zij thuis in het rijk der verbeelding? Zeker is,
dat 2 1/2 eeuw na bedoelde geboorte niemand eenige notie
heeft gehad van de ligging dier plaats, totdat de „vrome“
koning behoefte gevoelde, de heilige overleveringen door den
bouw van gedenkteekenen te localiseeren. In zoo’n geval weet
een kerkman gewoonlijk wel te zeggen, waar Lumbini te vinden
is. Uit
philologisch-historisch
oogpunt schijnt mij zijn mededeeling nietszeggend.
Intusschen had E.
Windisch
nog een ander argument. Een Chineesch reiziger, Hiuen
Thsang, bezocht in
636
na
Chr.
Indië en heeft daar nog de zuil gezien, dien Ashoka ter
plaatse heeft opgericht. Van een opschrift spreekt hij niet,
maar zegt alleen, dat de zuil door een booze draak is
vernield. Tot overmaat van vreugde is in het dorp Paderia in
Nepal in 1896 een zuil gevonden, die Ashoka had opgericht
en waarop geschreven staat: „hier werd de Boeddha, de Wijze
uit het geslacht der Sâ kyas, geboren2.
Hebben wij hieraan nu inderdaad het geval wat E.
Windisch
noemde: merkwaardige overeenstemming van letterkundige
getuigenissen en gedenkteekenen? Zoodat wij door aan
Upagupta geen geloof te schenken de twijfelzucht te ver
zouden drijven? Die overeenstemming gaat overigens niet
verder terug dan juist op dien, kerkvader, en wij kunnen
vooralsnog niets meer doen dan de plek vaststellen, die de
kerkvorst als de geboorteplek des Heeren heeft aangegeven.
Reden om hem bijzonder te vertrouwen geven noch de
letterkundige gegevens, noch de zuil. Wil een wereldlijk
vorst om redenen van kerkelijke politiek een gedenkteeken
bouwen ter plaatse, waar de Heer ter wereld kwam, dan zal
geen schrander kerkvorst zeggen: Helaas, Sire! die plaats
zoeken wij tevergeefs. Zou deze plaatsbepaling werkelijk
meer waarde bezitten dan die van het H. Graf bij Jeruzalem,
of die van het huis
1
Nalakasutta
vs. 5
in Suttanipata, een verzameling van
70
leerdichten, door Fausböll vertaald in de
„Sacred Books of the East“, vol.
X, part
II. a r.
Pischel in „Sitzungsberichte der kgl. pr. Ak. der
Wiss.“, 1903, S. 734
geeft
den
volledigen
tekst.
25
van den
rijken man uit ....
de gelijkenis, dat toch ook aan bezoekers van het H. Land
door op fooien beluste gidsen wordt vertoond? Nog minder kan
ik inzien, dat hiermee de historiciteit van Boeddha ook maar
eenigszins waarschijnlijk zou zijn gemaakt.
Nu leeren de bronnen, dat Boeddha in de gedaante van een
witten olifant met zes slagtanden uit den hemel is
neergedaald en de rechterzijde van zijn moeder is
binnengegaan (zoo reeds op sculpturen van Bharhoet in de 2de
eeuw v. Chr.). Dat noemde E.
Windisch dan
een jongeren, zuiver mythischen, grotesk-phantastischen
trek; oorspronkelijk zal dit niet meer dan een droom zijn
geweest van Boeddha’s moeder tijdens haar zwangerschap;
later is deze tot historie gemaakt. Maar dan, zeg ik, kunnen
evengoed de droomen van wakenden, die wij phantazie plegen
te noemen, later gehistoriseerd zijn.
Volgens de Boeddhistische Heilige Schrift herinnerde Boeddha
zich vele vroegere existenties;
o.a.
is hij de groote
Brahma
geweest, en tot
36
malen toe de godenkoning Indra. E.
Windisch
geloofde niet, dat Boeddha werkelijk zulke dingen gezegd
heeft; hij achtte hier een lateren Boeddha verheerlijker aan
het woord; van Boeddha zelf kan zoo iets niet zijn
uitgegaan. Wel neen, voeg ik er aan toe, de historische
Boeddha is daarvoor stellig veel te be-minnelijk-bescheiden
geweest!
Ook wordt in de bronnen verteld, dat Boeddha zich zes vorige
Boeddha’s herinnerde en precies wist, tot welke kaste die
behoorden, hoelang zij leefden, onder welk soort boom zij de
verlichting kregen, wie hun twee voornaamste leerlingen
waren, hoe groot hun aanhang is geweest, hoe hun vader,
moeder en geboorteplaats hebben geheeten en dat zij
duizenden jaren hebben geleefd. Dit alles is Boeddha
namelijk door de goden meegedeeld.
Op dit punt meende E.
Windisch weer te mogen, ja, te moeten
twijfelen aan de betrouwbaarheid der bronnen1.
Wij zien hier reeds dezelfde Aftrekmethode hoogtij vieren,
die zijn zoon Hans
later met zoo groote virtuositeit zou
1
A.a.O.,
S.
138.
26
hanteeren
ten behoeve van zijn „wetenschappelijk“ geloofsartikel, dat
uit de Christelijke evangeliën aangaande den Godmensch een
profetische man Jezus kon worden aan den dag gehaald.
Boeddha’s moeder heet Mâya
(=
Wondermacht).
Als E.
Windisch
berichtte, dat geen vrouw in Indië ooit zoo heeft geheeten,
wordt de zaak wel wat verdacht en komt
Kern’s
opvatting ons aannemelijker voor, als deze Boed!-dha’s
moeder voor de Groote Moeder, de goddelijke Maya, de Magna
Dea hield. Tijdens koning Ashoka blijken er Boeddhistische
asceten te zijn geweest, die beweerden, dat de Heer slechts
een toovergedaante, een schijnlichaam had bezeten; de
orthodoxen weerlegden hen met de vragen: zijn er dan geen
heiligdommen, lustoorden, kloosters, dorpen, plaatsen,
steden, koninkrijken en landen, die door den Boeddha zijn
genoemd? is hij niet in het Lumbinipark geboren, aan den
voet van den Bodhiboom tot kennis ontwaakt? heeft hij te
Benares niet het rad van de heilsleer in beweging gezet, bij
het Câpâla-heiligdom de begeerte tot langer leven opgegeven
en was het niet in Kusinärä dat hij volkomen ophield te
bestaan? Van deze dingen zei E.
Windisch:
“Aehnlich
wie wir es tun, wird hier Buddha’s Menschentum durch den
Hinweis auf seine in den ältesten Quellen erzählten, auf dem
festen Boden der indischen Länder erfolgte menschliche
Wirksamkeit gewahrt“1). Men veroorlove
mij
de
vraag: is het wel een gunstig teeken, wanneer men in
historicis juist zóó redeneert als de kerkelijke
orthodoxie? Het is een welbekende argumenteerwijze uit de
kinderkamer: hoe zou er geen Sinterklaas zijn? er zit
toch wat in je schoentje! Maar vreemd doet het aan, wanneer
geleerden aldus redeneeren. Deze Boeddha, die twaalf
ellen meet, volgens de oudste bronnen, wiens voetspoor, de
zgn. Adamspiek op
Ceylon
een zonnesymbool is, moge
mensch
heeten, —
hij is dat
in
dogmatischen,
zeker niet
in historischen
zin. Niet alle Boeddhisten waren het ten tijde van Ashoka
met diens euhemeristische (godvermenschelijkendte)
denkbeelden
1
A.a.O.,
S.
142.
27
eens.
Misschien geloofden zij niet meer, dat Boeddha een god was,
maar voor een mensch hielden zij hem ook niet-hij was hun
een naam, een begrip, gelijk de Muze voor onze dichtersl.
De Boeddhistische Kerk was op
atheistischen
grondslag gesticht; maar de gestorven Tijd-, Dagen Zonnegod
werd haar ideëele patroon2. Het allegorisch
bedoelde is later als platte werkelijkheid opgevat. Boeddha
werd de „alliefderijke oppermensch aan wien zij met te meer
innigheid denken en gehecht zijn omdat hij van gelijke
bewegingen is als zij zelven. Nadat een reeds bestaand
ideaal van wijsheid en goedheid voor ‘t oog der verbeelding
vleesch en bloed had aangenomen, werd het nog te
aantrekkelijker, omdat het niet volstrekt onbereikbaar leek
voor den mensch, zooals ook de Heer was“ 3.
Men heeft veel opgegeven van het riviertje Rohinï, dat in
het Boeddhaleven wordt genoemd en heden ten dage nog
aanwezig is. Zoo o.a. H.
Oldenberg4.
Maar dit feit bewijst voor Boeddha’s historiciteit
toch even weinig als het nu nog bestaande Kreta iets bewijst
voor het bestaan van Minos, Zeus’ en Europa’s zoon, die na
zijn dood rechter in de onderwereld is geworden. De
identificatie van de plaats, waar Boeddha begraven is, zegt
niet meer. Men heeft in 1898 in de buurt van den Himalaya
den reliekenheuvel gevonden, waarin Boeddha’s asch, nog wel
met opschrift! De wetenschap staat merkwaardigerwijze
tegenover R.K. heiligen-reliekengeloof gewoonlijk
critischer. Had in
1876
een storm te
Boeddhagäya
een overoude ficus vernield.
Söderblom5
heeft die voor den Bodhiboom verklaard, waaronder
Boeddha de Ontwaakte of Verlichte is geworden. Kunnen er
volgens deskundigen, wel
boomen
van
2400
jaar voorkomen, men betwijfelt dit voor het geslacht
ficus. Hoe jammer dus, dat Boeddha zelf niet de attentie
voor het nageslacht heeft gehad om er met zijn zakmes zijn
naam in te krassen.
1
Kern,
„Geschiedenis van het Buddhisme in Indië“. Haarlem 1884, I
blz. 270. 2 Blz. 278. 3 Blz. 279.
4
„Buddha, Sein Leben, seine Lehre, seine Gemeinde“. 2. Aufl., Berlin
1890, S. 102, 105. 5 In „Tiele’s Kompendium der
Religionsgeschichte“, 4 Aufl. Berlin 1912, S. 285.
28
In de
inleiding op
de zgn.
Jâtaka’s,
verhalen uit vroegere levens van den Boeddha,
die
hijzelf vertelt, is sprake
van
een tijd, die vier oneindige perioden
+
honderdduizend eeuwen geleden is 1. William
Simpson
heeft op twee
basreliefs
tooneelen uit dit verhaal ter plaatse gevondlen,2,
maar zal ze vermoedelijk toch wel in onze
wereldperiode hebben gedateerd!
R.
Otto
Franke3
hield het Dighanikâya
voor de oudste laag van de ons bewaard gebleven
Boeddhistische literatuur. Alles wat in het 14de Sutta
daarvan over ontvangenis, geboorte, jeugd, enz. van den
Boeddha voorkomt, slaat z.i. deels op een mythische
gestalte, anderdeels op een dogmatisch Buddha-type. De
Boeddha-idee was een voorhanden dogmatisch begrip;
voorhanden, maar als begrip, niet als geschiedkundige
herinnering.
Ik stap nu van dit Indische thema af en ga dichterbij
analogieën voor de historiseering van mythen zoeken, nl. in
het Oude Testament. Verreweg de meesten, die den tweeden
Adam voor een historische figuur houden in den zin, waarin
de algemeene en de vaderlandsche geschiedenis daarover
denken, geven de historiciteit van den eersten Adam prijs.
En toch is hij in het Genesisverhaal vrij menschelijk
voorgesteld. Maar een diepgaander studie van de teksten
herkent in Adam den gehistoriseerden oorspronkelijken
mensch
(Urmensch,
zegt men in het Duitsch; een Hollandsen woord is dat niet,
al wordt het dikwijls als zoodanig gebruikt).
Hij is de hemelsche
mensch
die
in den niet op deze aarde thuisbehoorenden hemelschen tuin
woont. Een meer mythologische voorstelling behoeft wel niet
altijd de oudste te zijn, maar in de
godsdienistgeschiedenis van Israël, speciaal in het boek
Genesis, bespeuren wij vaak het proces van verbleeking der
mythologische gegevens 4, wat vanzelf spreekt met
het oog op het monotheistisch karakter van het Jodendom. De
tuin Eden blijkt
1
Vgl. Kern I 330. 2 Volgens
Fausböll, „Buddhist Birth Stories“. Lo.
1880, p.
XLIII, and p. 13. 3 In „Wiener Zeitschrift für
die Kunde des Morgenlandes“. Bd. XXVIII, Heft 4, 1914, S.
331 ff.. 4 vgl. H. Gunkel, „Genesis 3“. Göttingen
1910, S. 35.
29
oorspronkelijk Gods woonplaats te zijn, waarin tooverboomen
met geheime goddelijke krachten staan; de slang is
oorspronkelijk een demon geweest. Deze
boomen behooren
van nature in de woning der goden thuis; door daarvan te
eten hebben zij het eeuwige leven. De slang, zelf een god,
heeft in dien tuin een plaats, evenals andere goden.
Nu wordt in Ezechiël 28, waar de ondergang van den trotschen
koning van Tyrus wordt voorspeld, in termen voor een groot
deel ontleend aan een mythologische voorstellingswereld, de
Godstuin geteekend als gelegen op den heiligen berg Gods,
hoog boven de aardie; daar wandelde eertijds een prachtig en
wijs schepsel Gods temidden van vurige steenen.
Gunkel
verklaarde deze vurige steenen als sterren. Het is niet
onaardig, hiermede te vergelijken de jongste gissing van den
bekwamen Dupont-Sommer
1, die het zinnelooze woord
kalamèj (riet) in Wijsh. van Sal. 3 : 7 wil vervangen
door galaxièj (melkweg), zoodat volgens dien tekst de
zaligen in het hiernamaals, schitterend van hemelschen
glans, niet zullen loopen als vonken in het riet,
maar op den melkweg, waarmede dan een astrale
onsterfelijkheid wordt geleerd, die wij als Neopythagoreesch
denkbeeld ook uit Vergilius (Aen, VI 748) en het Somnium
Scipionis (III 16) van Cicero kennen.
De
eerste mensch blijkt een soort halfgod te zijn geweest;
later herleeft deze gestalte van den hemelschen
oorspronkelijken Mensch weer in de synkretistische
godsdiensten, vooral in het Parsisme en het Jodendom,
speciaal bij Philo, die beïnvloed blijkt te zijn door
Oostersche Adam—Gayomart-beispiegeling’en, zooak die ook in
de speculatieve Adamliteratuur worden gevonden.
Zoo zouden er nog heel wat meer oorspronkelijk mythologische
bestanddeel en in het Oude Testament zijn terug te vinden,
die nu als historische gegevens daarin verschijnen. Ik noem
alleen nog den Zontvloed en Noach, Men ziet, hoe het
Joodsche monotheïsme de mythen van het polytheïsme
onschadelijk maakt door ze in verhalen aangaande
1 In „Revue des études
grecques“, T. LXH,
239
suiv.,
1949,
p.
80 —91.
30
menschen
te veranderen. Zijn niet de oude heidensche natuurfeesten
door het Jahwisme tot gedenkdagen van historische
gebeurtenissen gemaakt? Een zelfde monotheistische strekking
komt in den strijd tegen de Gnosis in de oude Christelijke
Kerk te Rome tot uiting: zich nauw aansluitende bij de
Joodsche Heilige Schrift heeft de wordende Kerk de mythe van
het Christendom gehistoriseerd. Hiertoe hadden de kerkelijke
autoriteiten een zeker recht, omdat de idee der
menschwording van het hemelsche wezen, dat zij vereerden,
door een uitwerking en uitbreiding van zijn aardsche
geschiedenis slechts kon worden bevestigd en een leven van
den mensch Jezus destijds zeker niet minder
propagandistische kracht bezat dan nu. De aantrekkelijkheid
van zoo iets blijkt immers uit de rationalistische moderne
Leben-Jesu-Forschung
nog altijd. Romeinsch-Joodsche verstandelijkheid en zin voor
realiteit hebben de mythe van den nedergedaalden god
gehistoriseerd, — hiertoe was aanleiding en het had zijn
raison, — meer raison dan de hedendaagsche
verstandsverlichting, die een mensch Jezus ten koste van den
god vereert.
31
|